De Sneeker munt en haar munten.

Voor we tot de behandeling van de Sneeker munten overgaan, wil ik eerst iets meedelen over de Friese munt geschiedenis.

De oudste in Friesland gebruikte munten zijn die van de Romeinse Keizers geweest uit de eerste eeuwen na Christus. Ze zijn hier terecht gekomen vermoedelijk door de Romeinse Legioenen, die hun soldij hierin uitbetaalt kregen. Ze zijn soms bij duizenden tegelijk terug gevonden, vermoedelijk waren dit betaalplaatsen van de Romeinse soldaten. Dergelijke munten bleven soms honderden jaren in omloop, getuige de vaak grote slijtage. In de Friese terpen zijn ze veelvuldig gevonden, van goud tot koper. Vaak ook als sieraad gebruikt getuige de gaatjes in en aan de hangertjes. Hele mooie exemplaren zijn zeldzaam en ook duurder.

Van 600-700 schijnen in Friesland imitaties gemaakt te zijn van Romeinse en Byzantijnse goudstukken, zoals de SOLIDUG en de TRIENS, Ze zijn verschillende malen in de Friese terpen gevonden o.a. in de goudschat van Dronrijp. Waar de muntenateliers waren is niet bekend, het is dan ook de vraag of dit gebeurd is in het huidige Friesland.

Van 700-800 zijn er in Friesland de z.g. SCEATTA'S in omloop gekomen, men moet dan denken aan het grote Friesland van die tijd lopende van de Deense eilanden tot ver in Nederland bijna alles boven de grote rivieren, met Dorestad vergelijkbaar nu ongeveer Wijk bij Duurstede als een groot handelscentrum. Vermoedelijk zijn ze hier o.a. geslagen. Hoewel ze ook in het huidige Friesland zijn gevonden, een toeschrijving aan de muntplaats in Friesland van nu is echter niet mogelijk, opschriften ontbreken bijna.

In het midden van de 9e eeuw zijn waarschijnlijk talrijke naslagen van Karolingische munten nagemaakt, naslagen van de rijksmunt van Dorestad. Volgens muntvondsten zijn ze talrijk nageslagen, ze komen soms meer voor dan de echte in de Friese vondsten. Friesland maakte deel uit van het Frankische rijk, dit geld was hier dus een officiële munt, maar als de naslagen in Friesland gebeurde is niet meer te bewijzen.

In de 11e eeuw heersen in Friesland de graven van Brunswijk 1038-1057, Bruno III 1057-1068, Egbert I 1068-1090 en Egbert II. Op de voorzijde van de munt vertoont zich een portret met een bisschop, ook wordt de keizersnaam Henricus vermeld en de muntplaats Dokkum, Bolsward, Leeuwarden en vermoedelijk ook Oldeboorn. Het zijn dus geen stadsmunten, zij zijn op naam van de Keizer of de Graaf van de muntplaats.

Typisch is dat deze munten nooit in Friesland zijn gevonden, echter in grote aantallen in de Scandinavische landen en zelfs in Rusland. Deze muntvondsten die zijn gevonden liggen altijd compleet in de musea, particulier zijn ze haast niet in bezit.

In de 12e eeuw worden er in Friesland kleine dunne penningen geslagen van ongeveer 0,2 gram, zij vertonen vaak aan de voorkant de bisschop van Utrecht. Ook vertonen zij vaak enkele letters verbasterd als omschrift of pseudo letters, de wetenschap wijst ze toch toe aan plaatsen als Leeuwarden en Staveren ze zijn in redelijke grote vondsten in Friesland gevonden. Echter in het geheel naar musea en openbare kabinetten gegaan ook voor de studie, in particulier bezit ziet men ze niet na deze periode krijgen we de stedelijke muntslag.

In Friesland hebben de volgende steden op naam van het stadsbestuur munt geslagen: Bolsward, Leeuwarden, Sneek, Franeker en Workum, ze beslaan de periode van 1425-1493. De enkele exemplaren die bekent zijn zitten bijna allemaal in collecties van openbare verzamelingen bv het Fries Museum en het koninklijk Penning kabinet.

Van 1498-1515 krijgen wij hier het Saksische bewind, onder hun bewind zijn in Sneek en Leeuwarden ook munten geslagen maar die komen later aan de orde.

Daarna krijgt Karel de V  en later Philips de II  het gezag over Friesland ook onder hun bewind worden munten geslagen, in 1580 zweren de staten van Friesland Philips de II af als hun vorst en komen ze in de republiek der verenigde Nederlanden.  Vanaf nu wordt de Friese munt ingesteld en deze heeft bestaan tot 1756, maar in 1738 is de laatste Friese munt nl een bezemstuiver geslagen. Er heeft ook een 2e Friese munt bestaan in de Reiderschans, daar lag een Fries garnizoen dicht bij Delfzijl deze schans is met het dorp Reide in de Dollart verdwenen. Rijksdaalders, Leeuwendaalders en Gouden Dukaten zijn hier ooit geslagen met als muntteken een rechthoek.

Nu de Sneeker muntslag en de geschiedenis Sneek is een oude stad en van haar ontstaan is niets bekend in 1268 was zij nog slechts een gehucht, maar in 1294 was het een kleine stad geworden met wallen en grachten nog niet zoal wij de stadsgrachten kennen. De Singel, de Poortezijlen en de Pol vormden toen nog de ene kant van de stadsgracht later werd het stuk van de Waterpoort via de Haringsmakade, Oosterpoort tot aan de Pol toegevoegd en kon de stadsuitbreiding tot stand komen tot waar nu de Oosterdijk, het Kleinzand, het Grootzand, en de Singel etc lopen.

In 1294 was Sneek ook reeds begiftigd met stedelijke voorrechten maar omdat de meeste huizen waarschijnlijk van hout waren brandde Sneek in 1295 bijna volledig af op twee huizen na. In 1328 was de grote schade deels hersteld want toen schonk hertog Albrecht van Beieren aan Hye Reynarda de titel van schout ambt van Sneek. Maar in 1417 brandde weer een groot gedeelte van Sneek af veel stedelijke charters zullen toen zijn verbrand, 10 jaar later was ook deze brandschade geheel hersteld en werd Sneek de vergaderplaats van de Schieringer heerschappen Sneek was toen ook al begunstigd met het waagrecht en de rechtspleging.

In 1464 zou volgens het vorige eeuwse woordenboek van v/d Aa het muntrecht verzekerd worden waar hij dit vandaan haalt is niet bekend en lijkt onwaarschijnlijk. Bij geen van de Friese steden uitgezonderd Leeuwarden is het muntrecht bekend Winsemius vermeld in zijn beschrijving van Sneek in de kroniek van Friesland ook is de munt daar is geweest. Hij had in 1622 van burgermeester Jan Schoutes een Sneeker munt gezien aldus E.Napjes in zijn kroniek van Sneek van 1826.

Als muntgebouw wees men in 1850 nog een gebouw aan achter de BROEREN Nu de huidige Kruize Broederstraat, dit gebouw stond toen waar nu de doorbraak is van de Kruize Broederstraat naar de Prins Hendrikkade het Bolwerk was toen afgegraven en er was geen toegang meer naar de nieuwe kade men heeft de doorbraak toen naar de munt genoemd. nl. DE MUNTSTRAAT.

Omstreeks 1470 is Sneek begonnen met het slaan van munten het was in de tijd van de Friese vrijheid, zij het wel dat men onderling veel strijd voerde als Schieringers en Vetkopers. De steden voelden zich oppermachtig zonder heer en namen vermoedelijk zonder rechten de muntslag op zich, ze hadden dit afgezien van het oppermachtige Groningen dat in 1370 al met de muntslag was begonnen. Sneek volgde ook klakkeloos de voorbeelden van Groningen, zij het natuurlijk met een andere stadsnaam en een andere christelijke spreuk.

Hoe ze de Sneeker munten werden genoemd weet niemand, schriftelijke bronnen voor deze munten zijn er niet we moeten het van munten zelf hebben of van enkele bronnen uit andere plaatsen zoals Deventer. In een publicatie van schepenen en raad van Deventer uit 1470 wordt de prijs bepaald voor diverse munten. Die van Sneek en van Bolsward werden toen al verboden wegens het slechte zilver gehalte en werden ongangbaar verklaard, in Groningen heten de munten Vliegers, Jagers, Stuivers en dubbele Stuivers genoemd. In Bolsward werden ze misschien wel schellingen genoemd, we noemen ze hier naar hun voorbeeld  “VLIEGERS

De oudste Sneeker munt dateert van ongeveer 1470 dat kunnen we aan het type van Groningen zien die toen al gedateerd waren, in deze eeuw waren munten praktisch niet gedateerd Sneek is hier even later dan ook mee begonnen. Op de voorkant van de munt hebben we het stedelijke wapenschild dit schild is een gedeeld schild rechts van goud en aan de linker zijde de half te voorschijn komende adelaar van sabel, en links van azuur de met drie kronen van goud onder elkaar, verder heeft het wapen nog schildhouders bestaande uit een leeuw en een wildeman, en de letters S.P.Q.S deze staan op het wapen NIET op de munt.

SENATUS POPULOS QUE SNECENSIS  =  VAN DE STAD EN HET VOLK VAN SNEEK.

De drie kronen in het wapen van Sneek zijn aan het wapen van het geslacht van Bokkema ontleend, vooral door Rienk Bokkema werd de grond tot heerschappij van dit geslacht over Sneek gelegd, zijn zoon Bokke (gestorven 1469) gaf zijn dochter ten huwelijk aan Pieter Harinxma waardoor het bewind over Sneek in dat geslacht overging. Vermoedelijk zullen zij het muntmeesterschap hebben uitgeoefend evenals de sjaerdema’s uit Franeker.

Alle omschriften zijn in het Latijn, zo zijn alle munten tot 1817 een Latijns opschrift De voorkant vertoont het omschrift     

MONETA NOVA SNEKENSIS  =  NIEUWE MUNT VAN DE STAD SNEEK.

Op de keerzijde zien we een versierd aan de uiteinden verbreed vierbenig kruis In het hart van het kruis de letter S dit is de eerst letter van de stadsnaam Sneek het omschrift is in gotische letters zoals alle letters, en deze christelijke spreuk

IN HOC SIGNO VICES  =  IN DIT TEKEN ZULT GIJ OVERWINNEN

Naar het verhaal van de eerste christen keizer Constatijn de Grote, toen hij tegen de heidense keizer Maxentius optrok als teken van overwinning zag hij een kruis aan de hemel staan. Deze zilveren munt weegt 1,9 gram.

De eerste van deze munt werd in 1846 in Nijmegen opgegraven en is door een schop enigszins beschadigd, dit exemplaar is in het bezit van het Fries Museum. De oudheidkamer van het Scheepvaart museum heeft ook een iets minder mooi exemplaar in hun bezit. Het Fries museum heeft ook een ¼ vlieger van dit type munt in hun bezit dit 2e type Vlieger van Sneek is vrij identiek de voorkant is iets gewijzigde tekening, de achterkant is de spreuk vervangen door het

Romeinse jaartal MCCCCVXXII en ANNO DOMINI deze munt draagt het jaartal 1477.

Van dit type en dan met het jaartal 1476 en 1478 is ook een exemplaar aanwezig in het Fries Museum het welk de grootste collectie Friese munten en penningen heeft.

Voorts is er een Jager (dubbele stuiver) van Sneek, bekend in het Fries Museum met het Romeinse jaartal 1492 en

MONETA NOVA SNEKENSIS,  op de keerzijde afgekort   

QUIA NON EST ALIUS QUI PUSNAT PRO NOBIS = OMDAT ER GEEN ANDER IS DIE VOOR ONS STRIJD.

In de 70-er jaren is er ook in Amerika een ¼ vlieger van dit type opgedoken met als opschrift 

MONETA NOVA SNEKE  de keerzijde DA PACEM DOM verder onleesbaar.

Ook deze munt ligt in het Fries Museum. In oude stadsarchieven in Leeuwarden is in de vorige eeuw door de Leeuwarder historicus Eekhof nog een hout afsnede van een halve vlieger van Sneek gevonden, alleen de echte munt is nooit gevonden. Een paar bekende munten van Sneek zijn nooit in de Friese bodem teruggevonden en van de andere Friese steden ook niet, Ook in grote muntvondsten komen zij niet voor en in veilingcatalogi zal men ze bijna nooit tegen komen evenmin in particuliere verzamelingen, het zijn stuk voor stuk rariteiten.

Een exemplaar van Bolsward is in 1980 gevonden tijdens graafwerkzaamheden in Pingjum met het jaartal 1455, dit jaar was in de oudere literatuur nog niet bekend voor zover is dit het enigste exemplaar ooit gevonden in Friesland. De munten van Sneek zijn slechts kort geslagen waarschijnlijk in emissie van zeer geringe omvang.

Na deze stadsmunten kwam eigenlijk een einde aan het Friese geld, zeker zijn er nog eeuwen in Friesland munten geslagen maar die hadden toch alle te maken met een vorm van gezag dat buiten Friesland zijn zetel had of waaraan het ondergeschikt was, of zodanig verbonden dat zij niet op eigen gezag konden munten.

In 1498 was het met de Friese vrijheid gebeurd en toch is er tussen 1498 en 1500 nog eenmaal munt gelagen in Sneek echter niet op de naam van de stad Sneek maar op naam van graaf Albrecht van Saksen èèn van de grote veldheren van die tijd. De Friese Schieringers hebben zelf zijn hulp ingeroepen, de partijschappen waren zo hoog gestegen dat men liever de vrijheid prijsgaf dan de partijschappen. De Vetkopers hadden de stad Groningen tot steun de Vetkopers werden met kracht gedwongen de graaf vestigde hier een leger van 2000-3000 man onder bewind van graaf Wilibrord van Schaumburg als stadshouder. De hertog van Saksen liet al spoedig evenals de Romeinse keizer vroeger zijn naam vereeuwigen door munt te laten slaan met zijn naam, titels,en wapenschild.

In augustus 1498 werd er in Sneek gemunt Leeuwarden was te onveilig en is 2x op de Vetkopers veroverd. Sneek is hierdoor 20 maanden Hoofdstad van Friesland geweest. De raad en rentmeesters van ridder Wilibrord van Schaumburg had hier zijn hoofdverblijf gevestigd. Een toeval heeft ons de naam muntmeester behouden. Zijn naam Matthaeus Nyekamer en schijnt een oost Fries te zijn geweest, verder hier op in gaan zou een heel stuk geschiedenis ophalen we houden het maar bij de munt.

Op de voorkant van de munt van Hertog van Saksen het vierdelige Saksisch wapen met als omschrift:                       

ALBERT.DUX.SAXON.GUB.FRISI. = Albert hertog van Saksen, gubernator van Friesland.

Op de keerzijde het Rooms-Keizerlijke wapenschild op een eenvoudig gevoet vierbenig kruis omschrift:          

DEL.GRATIA.REGNES.REGNA = Door mij regeren de koningen en stellen de vorsten gerechtigheid.

De graaf is in 1500 in Emden overleden, zijn opvolgers George en Hendrix hebben in Leeuwarden gemunt.

In de ordonnantie / beeldenaar van 1528 uitgegeven in Amsterdam bij Doen Pieter zoon in de enghelenburch wordt deze munt beschreven als Vriese Braspenning Albertus Dux Saxonie te Sneek gemunt. In 1502 lieten de hertogen van Saksen Georges en Hendrik door hun stadhouder Hugo van Leysenach de munten van Albrecht van Saksen al buiten koers stellen.

Ook de munten van Albrecht van Saksen zijn zeer zeldzaam er is maar 20 maanden summier onder oorlogsgeweld gemunt in Sneek en komt ze ook bijna niet tegen.

In Sneek zijn twee muntvondsten gedaan in 1947 in de Neltjes Haven allemaal Spaanse matten en eind vijftiger jaren in de Galigastraat een kruik vol 14e en 15e eeuwse stuivers en braspenningen beide muntvondsten liggen in het Fries Scheepsvaart Museum in Sneek.

 Door W. A. Adema te Sneek.